De-mayacultuur.jouwweb.nl
Home » Mythologie & religie

Mythologie & religie

De aarde

De Maya’s hadden een geheel eigen visie op de aarde en de schepping. De oude Maya’s geloofde dat de kosmos was verbonden door een verticale as en dat de aarde een vierhoekig vlak was. De vier zijden waren gelijk aan de vier windrichtingen met hun eigen kleur. Het oosten was verbonden met rood, het zuiden met de kleur geel, het westen met zwart en het noorden met wit. Het midden van de aarde werd verbonden met de kleur blauwgroen, de kleur van jonge planten, dus het leven. De verticale as had de vorm van een wereldboom en was de verbinding tussen hemel, aarde en de onderwereld. De wortels bevonden zich in de negen lagen van de onderwereld. De stam liep door het midden van de aarde en de takken drongen door tot aan de hoogste van de in totaal 13 hemelen. De verbinding tussen hemel, aarde en onderwereld was de weg die de ziel van een overleden persoon naar de hemel bracht. Maar eerst moesten er beproevingen in de onderwereld met succes worden doorstaan. Boven op de wereldboom werd Itzamná, de belangrijkste god, afgebeeld. Dit was een bovennatuurlijke hemelvogel. Er waren ook nog vier kleinere bomen op de hoeken van de aarde die de hemel ondersteunde.

De Maya’s geloofde dat het universum niet alleen bestond uit de planeten en de sterren, maar dat de onderwereld en de hemel daar ook deel van waren. In het hemelrijk bevonden zich velen goden en in de onderwereld de diverse bovennatuurlijke wezens die onheil over de mensheid brachten.

 

Het scheppingsverhaal

Op de dag van de schepping werden drie haardstenen geplaatst in Na Ho Chan (Eerste Vijf Hemel). De haardstenen maakten het mogelijk dat de aarde uit de oerzee kon worden opgetild. De drie haardstenen werden vaak afgebeeld met een schildpad. Volgens sommige Maya’s rustte de aarde op het enorme schild van een zeeschildpad die in de oerzee dreef, in andere scheppingsverhalen word de schildpad vervangen door een krokodil.

Voordat de aarde bestond waren er twee goden. Tepeu de schepper en Gucumatz de gevederde geest. Alles wat in hun fantasie kwam, vormde zich ogenblikkelijk en zo maakten zij hemel en aarde, licht en duisternis en planten en bomen. Tepeu en Gucumatz besloten dat er nog wezens moesten komen om hen te aanbidden. Zij maakten de lama, de slang, de slak, de kameleon en alle andere dieren. Toen alle dieren rondliepen zeiden de schepper en de gevederde geest: “Aanbidt ons!” De dieren deden hun best, maar het enige wat ze voortbrachten was een oorverdovend blaffen, mekkeren, blaten, loeien. Na een tijdje werd het Tepeu en Gucumatz teveel en ze geboden ze de dieren op te houden. Ze besloten dat er betere wezens moesten komen en ze schiepen uit klei de eerste mensensoort. De klei bleek echter te zacht en de mensen vielen na korte tijd uit elkaar. Uit hout sneden de goden de tweede mensensoort. Deze mensensoort kon inderdaad praten, lopen en zich vermenigvuldigen. Maar omdat ze geen hersens hadden, waren hun woorden hol en leeg en konden zij de goden niet aanbidden. De goden stuurden een zondvloed en bevalen de dieren om de overgebleven mensen te verscheuren. Enkele mensen ontsnappen naar het bos en daar werden zij in apen veranderd om als voorbeeld te dienen voor het volgende mensenras. Tepeu en Gucumatz dachten lang na over het materiaal voor de mensen, maar het lukte hen niet iets te bedenken. Op een dag brachten enkele dieren maïs naar de goden en zij vermengden dit met ander materiaal. Daaruit werden vier mannen geschapen. Deze mannen konden inderdaad de goden aanbidden en zij deden dat zodra ze klaar waren. De goden waren tevreden en vroegen aan de mensen: “Wat zien jullie?” De mensen antwoorden: “We kunnen kijken tot in de eeuwigheid, dwars door rotsen en bomen, dwars door bergen en tot aan de uithoeken van de aarde met al zijn dieren en planten. We kunnen alles zien en alles begrijpen.” De goden dachten dat ze de mensen misschien wel té goed hadden gemaakt. Ze vonden dat de mensen niet zo goed moesten kunnen zien als zij. Daarom beperkten ze het gezichtsvermogen zodat de mensen minder van de wereld begrepen. Toch bleven de mannen hen aanbidden en zij maakten nog vier vrouwen om de mannen gezelschap te houden. Deze acht mensen waren de voorouders van het Mayavolk. 

Dit verhaal bevat elementen die ook in de Bijbel voorkomen. Zo bestaan de goden voordat de aarde wordt gemaakt en scheppen ze de aarde ook. Wel zijn het twee goden, en in de Bijbel was het er een. Ook de zondvloed kennen wij in onze Bijbel, alleen heeft die zondvloed een andere oorzaak. De mens werd geschapen van modder, en in de Bijbel van het stof de aarde, dat kun je ongeveer gelijk stellen. Ook werd hier de vrouw na de man geschapen.

 

Mythologische figuren

De beroemdste figuren in de Maya mythologie zijn de tweelingbroers Hunahpu en Xbalanque. De tweelingbroers werden op wonderbaarlijk wijze verwekt in Xibalba, de onderwereld, waar hun vader Hun Hunahpu, de maïsgod, naartoe verbannen was omdat hij de heren van Xibalba had geërgerd met het luidruchtige balspel op de Aarde. De vader van de tweeling werd onthoofd, en zijn hoofd werd in een boom gehangen. Toen Bloedmaan, een meisje uit de onderwereld, naar de boom ging spuugde het hoofd in haar hand, waardoor ze zwanger werd. Ze vluchtte naar de bovenwereld om aan de toorn van haar vader te ontsnappen, en daar schonk ze het leven aan de tweelingbroers. Hun vader had al een tweeling; deze broers hadden een hekel aan de nieuwkomers en treiterden hen. Daarom veranderden Hunahpu en Xbalanque hun halfbroers in apen, die vanwege hun creatieve talenten op den duur de beschermgoden van de kunst werden. De tweelingbroers waren enthousiaste balspeler, en het lawaai van hun spel irriteerde de heren van Xibalba ook nu. Hunahpu en Xbalanque werden gedwongen om naar de onderwereld te reizen, over rivieren van bloed en pus, en een reeks beproevingen te ondergaan. Op de eerste avond kregen ze allebei een brandende toorts en een brandende sigaar, die ze de volgende ochtend in precies dezelfde staat moesten terugbrengen. De tweeling doofde de toorts en de sigaar; de vlammen van de toorts vervingen ze door veren van de rode ara en de gloed van de sigaren door vuurvliegjes. Zo misleidden ze de heren van Xibalba. Vervolgens moesten ze de nacht in huizen met messen, jaguars, ijzige koude en vuur doorbrengen.

Tot slot werden ze opgesloten in het huis van Zotz, de moordende vleermuis.  Om aan dit wezen te ontsnappen gebruikten ze hun toverkracht om zich in hun blaaspijpen te verstoppen. Vlak voor de zonsopgang vroeg Xbalanque zijn broer af of het al veilig was om eruit te komen, maar toen Hunahpu vanuit zijn blaaspijp naar buiten keek, suisde Zotz op hem neer en rukte zijn hoofd er af. De wrede heren van Xibalba dwongen Xbalanque toen om het balspel te spelen met het hoofd van Hunahpu als bal, maar Xvalenque wist hun aandacht lang genoeg af te leiden om het hoofd weer op het lichaam van zijn broer te zetten. Daarop bedachten de tweelingbroers een plan om de dood van hun vader te wreken. Ze offerden zichzelf door in een vuurkuil te springen, maar vijf dagen nadat de heren van Xibalba hun overblijfselen in een rivier hadden gegooid stonden ze uit het water op als half mens, half meerval. Als rondreizende artiesten verwierven de broers al spoedig bekendheid vanwege hun goocheltrucs en dansen. Toen de twee hoogste heren van Xibalba over hun wonderdaden hoorden, ontboden ze de vermomde tweeling naar hun paleis om een voorstelling te geven. De broers moesten zichzelf offeren. Dat deden ze, maar onmiddellijk werden ze weer levend. Onder de indruk hiervan droegen de heren van Xibalba de broers om hetzelfde kunstje met hen uit te halen. Ook dat deden ze, alleen wekten ze de heren van Xibalba niet weer tot leven. Zo was de onderwereld eindelijk overwonnen, niet met geweld maar door middel van trucjes. Al zegevierende stegen Hunahpu en Xbalanque op naar de hemel, waar ze de zon en de maan werden.

 

De Mayagoden

Een van de aspecten die het meest opvalt in de Maya-religie is het enorme aantal van goden. Ieder natuurlijk verschijnsel werd verklaard door een god. Alle goden maakten echter wel onderdeel uit van één allesomvattende macht. Veel goden hebben sterk overeenkomende functies doordat iedere Maya-staat zijn eigen goden had. Na de verovering van een stadstaat werden de goden van de overwinnaars door de overwonnen Maya’s overgenomen. Echter, de overwinnaars namen zelf ook de goden van de overwonnen stad op in hun pantheon. Een omschrijving van alle Maya-goden is een onmogelijke taak; van een aantal kent men zelfs niet eens de originele namen. De goden die de belangrijkste rollen vervulden in het scheppingsverhaal of andere mythologieën zijn gelukkig wel bekend gebleven en kwamen in hel het Maya-gebied voor. Hier volgen een aantal goden:

 

Aap Goden  (Monkey Gods): Hunbatz en Hunchouén waren twee broers van de heldentweeling. Omdat ze hun broers erg slecht behandelden werden ze veranderd in twee apen. Ze waren allebei erg ontwikkeld in het schrijven en in de kunst. Om deze reden waren Hunbatz en Hunchouén de patroongoden voor de schrijvers en de kunstenaars.
Ab Muzen Cab: Honing was een van de weinige zoetmiddelen bij de Maya’s, vandaar dat Ab Muzen Cab, de bijengod, zeer belangrijk was. Volgens sommige deskundigen is hij ‘de afdalende god’.

Akan: De patroongod voor de dronkaards en bewaker van het klisteerritueel. Akan werd vereerd tijdens ceremoniële feesten waar veel alcohol werd gebruikt.

Bacabs: Deze vier goden stonden op de hoeken van de aarde en ondersteunden de hemel. Iedere Bacab werd geassocieerd met een windrichting en een bepaalde kleur (zie kopje 'de aarde').

Bolontiku: De bolontiku waren de negen goden die over de negen lagen van de onderwereld regeerden. Dit waren samen met de Oxlahuntiku de belangrijkste goden.

Chac: God van de regen en de donder, werd vaak blauw afgebeeld en had een kromme neus, haren die op zijn hoofd waren vastgebonden en voeldraden uit zijn mond. Deze is een van de weinige goden die vandaag de dag nog wordt vereerd door de Maya’s in het noordelijke deel van Yucatán. Chac was ook een viervoudige god die geassocieerd werd met de kleuren van de vier windrichtingen. Chac was ook de patroongod van de dag ‘Ik’ en van het getal dertien.

Ek Chuah: Zijn naam betekend ‘Zwarte Schorpioen’ en hij was de god van de kooplieden en de beschermer van cacao. Ek Chuah werd afgebeeld met een zwart gezicht en een pinokkioneus.

God L: De oude man die vaak roken werd afgebeeld (ook met een staf en een jaguarvel). Hij zou de de 'Oude God' zijn of de 'God van Vuur'. Hij was de god van de Morgenster en bracht samen met vier andere goden dood en verderf.

Kunab Ku: Enkele bronnen spreken over de enige ware god Hunab Ku, deze was almachtig en nam geen menselijke vorm aan.

Itzamná: Het staat vast dat Itzamná de belangrijkste god was van alle Maya-goden. Hij was de uitvinder van het schrift en de patroongod voor het leren en de wetenschap. Zijn naam betekend letterlijk ‘Hagedissen Huis’, maar het woord ‘Itz’ dat toveren betekend komt ook duidelijk in zijn naam voor. Hij had het uiterlijk van een oude man. Ix Chel was in haar oude gedaante zijn vrouw.

Ix Chel: Godin van de maan. Haar naam betekent: ‘Zij van de regenboog’, ze wordt ook wel Ix Ch’up (de vrouw) genoemd, Zij werd voorgesteld als en aantrekkelijke jonge dame met ontblote borsten (Godin I)of als een oude vrouw(Godin O). Een van haar attributen is de letter U, het Maya-woord voor maan. Soms werd ze afgebeeld met en konijn in haar handen. Om het felle licht van de maan te temperen gooiden de goden een konijn naar haar toe. Zij stond in hoog aanzien, omdat zij naast maangodin ook godin van de vruchtbaarheid, geneeskunde, en het weven was. Ook was zij de vrouw van Itzamná.

Kukulkan: De gevederde slang had in veel Meso-Amerikaanse culturen een belangrijke functie. Samen met Tepeu vormde hij Gucumatz een koppel dat meewerkte aan het creëren van de aarde. Kukul betekend ‘gevederde’ of ‘quetzalvogel’

Oxlahuntiku: Dit waren de dertien goden die over dertien lagen van de hemel regeerden

De behoeften van de goden

Het Maya-geloof schreef voor dat de mensheid na de schepping de goden voortdurend gunstig moesten stemmen om het voortbestaan van de wereld zeker te stellen. Het offeren van krijgsgevangenen uit oorlogen met rivaliserende Maya-koninkrijken was de meest gebruikelijke manier om goedkeuring van de goden te krijgen. Het hele jaar door vonden er rituelen en ceremonieën plaats, elk bedoeld om een specifiek aspect van het dagelijks leven te bevorderen, zoals de hoeveelheid regen of overvloedige honing. De koningen moesten in contact treden met de goden en de voorvaderen om hulp of advies te vragen. Dat deden ze door op pijnlijke wijze hun eigen bloed te vergieten tijdens ingewikkelde rituelen, die veelvuldig werden vastgelegd in verf of steen.

De Maya’s kennen verschillende methoden, zoals het uitrukken van het hart. Ook zelfopoffering was niet vreemd voor de Maya’s. Ze offerden hun eigen bloed aan de goden door met een snoer van doorns in hun wangen, onderlippen, oren en tongen te prikken. Dit bloed, opgevangen in een kom, wordt uitgesmeerd op de godsbeelden of op het eigen lichaam en haar. Door mannen wordt er eveneens bloed uit de penis verzameld door gebruik te maken van een scherp mes of een stekel van een pijlstaartrog. Dit soort aderlaten van eigen bloed was enkel bestemd voor edelen. Niet alleen mensen werden geofferd, ook dieren kwamen aan de beurt. Honden, kalkoenen en jaguars werden voor speciale staats- of religieuze gebeurtenissen als offer aan de goden geofferd. Gedurende het hele jaar werden religieuze feesten gehouden ter ere van verschillende goden, om zich te verzekeren van een goede oogst, regen, gezondheid, vruchtbaarheid, enzovoort.

Nieuwjaar wordt bij de Maya’s eveneens gevierd. De vijf dagen die vlak voor Nieuwjaar vallen, worden de “ongelukkige” dagen genoemd, dan moet iedereen thuis blijven om ongeluk te vermijden. Na deze vijf dagen wordt het feest geopend.

 

Priesters en sjamanen

Priesters, priesteressen en sjamanen speelden een belangrijke rol in het leven van de Maya’s. Zij zijn gezegend door de goden en staan in direct contact met hen. Bovendien krijgen zij vaak krachten van de bovenwereld toegewezen om zo het lot van het volk en de staat te beïnvloeden en dit door spirituele ontdekkingsreizen te ondernemen. Volgens de Maya’s kunnen sjamanen in trance de gedaantes van dieren aannemen. Sjamanen zijn tot op heden nog steeds actief. Priesters zijn vooral terug te vinden in de grote tempelcomplexen Chichén Itzà en Tikal. De Mayapriesters kennen een strikte hiërarchische orde met een hogepriester aan het hoofd. Hogepriesters dienen in tempels, terwijl minder belangrijke priesters dienen in steden en dorpen. Mayapriesters leiden hun eigen zonen en dochters of die van belangrijke heren op tot priester. De hogepriester wordt altijd opgevolgd door zijn zoon of meest naaste bloedverwant.

 

De dood en de goden

Overledenen komen terecht in de Xibalba, de onderwereld, daar waar alle voorouders leven. De Maya’s kennen echter geen hel of vagevuur. Het leven in de onderwereld verschilt niet veel van het vorige leven in de mensenwereld. Onder de aarde heerst een wereld bestaande uit prachtige landschappen met indrukwekkende bergen, valleien en rivieren. De zielen van de doden vinden hier hun huizen terug.

Als een overledene begraven wordt, geven familieleden grafgiften mee, zodat de dode op steun van bepaalde dieren kan rekenen. Grafgiften bestaan meestal uit voedingsproducten, zoals kleine tortilla’s, kalebassen, verschillende aardewerken vazen met cacao en een mengsel van maïs en cacao erin. Naast eten worden er ook andere objecten, zoals schelpen, exotische maritieme objecten, spiegels, afbeeldingen van goden uit aardewerk of steen bij de dode geplaatst. De overgang naar de onderwereld neemt minstens zeven dagen in beslag.

Volgens de Maya’s kunnen koningen ontsnappen aan de god van de dood, ongeacht of zijn dood op natuurlijke wijze of door geweld gebeurde, een koning wordt onsterfelijk in de vorm van een hemellichaam en reist dus naar de bovenwereld.

 

Hedendaagse religie

De traditionele religie van de Maya's bestaat ook tegenwoordig nog, maar vaak zijn er nu wel elementen uit het christelijk geloof in opgenomen. Maar de Maya’s geloven - net zoals vroeger - in de invloed van de kosmos en dat ze door middel van rituelen hun goden eer moeten betonen. De zon wordt nu in verband gebracht met het christelijke geloof in God en Jezus en de maan met de maagd Maria.